OVER WATER (deel II): grondwater, de onmisbare spaarbank

Beeld je in, het is een snikhete dag in augustus, 36 graden in de schaduw. De grondwaterniveaus staan in Vlaanderen staan uitzonderlijk laag en de regering roept op om geen kraanwater meer te gebruiken om je zwembad te vullen of om je auto te wassen.

Je hond en jijzelf liggen op de zetel langzaam weg te smelten. Je sleept je over de vloer tot aan de keuken en draait de kraan open om toch nog wat vocht binnen te krijgen. Op hetzelfde moment hoor je water klateren bij de buren: de buurman is enthousiast zijn zwembad aan het vullen… met water uit de kraan. Er begint stoom uit je oren te komen en je denkt bij jezelf: “Hoe kan iemand nu zo asociaal zijn?“

Het gedrag van de buurman is nochtans niet uitzonderlijk. Op talloze plekken in de wereld wordt water gezien als een onbeperkte grondstof die je uit de kraan of uit de grond kan halen. Er ontstaat vaak een spanning tussen het individueel belang en het collectief belang. Als individu is het voordelig om zoveel mogelijk water te gebruiken, maar voor de samenleving in zijn geheel is het beter dat iedereen er zuinig mee omspringt. Doordat velen zich hiervan niet bewust zijn, worden de watervoorraden te veel gebruikt en ontstaat er verspilling. Maar uiteindelijk worden de waterverspillers ook de dupe van hun eigen gedrag wanneer de grondwatervoorraden uitgeput zijn. Het is een klassiek voorbeeld van een tragedy of the commons.

Die tragedie doet zich op verschillende plekken voor in de wereld: Pakistaanse, Indiase en Chinese boeren pompen massaal grondwater op om hun velden te irrigeren. In het Midden-Oosten proberen Saudi-Arabië en Jordanië om ter eerst de Disi aquifer (een aquifer is een ondergrondse waterlaag) leeg te zuigen. En zo zijn er nog tal van voorbeelden.

Het water uit de Disi aquifer wordt opgepompt uit putten van 600 meter diep om Amman, de hoofdstad van Jordanië, van water te voorzien. (bron: Wikimedia Commons)

Grondwater

België is net als Saudi-Arabië en India een land dat kampt met waterstress. Dat is op het eerste zicht vreemd, want over onvoldoende regen kunnen we in dit druilerig landje niet klagen. Jaarlijks valt er 800 à 900 millimeter, wat overeenkomt met het wereldwijde gemiddelde. Toch hebben boeren in ons land steeds vaker te kampen met watertekort.

Onze kwetsbaarheid vloeit voort uit drie factoren. Ten eerste hebben we geen grote rivieren in België. De Maas en Schelde hebben een klein stroomgebied, dus de aanvoer van water is beperkt. Een tweede factor is de hoge watervraag. We leven in een dichtbevolkt land met een hoge welvaart. Zowel huishoudens als landbouw en industrie verbruiken veel water. Tot slot speelt ook de grote oppervlakte aan beton en asfalt ons parten. Hierdoor vloeit het regenwater vaak af naar de riolen, waardoor het niet kan infiltreren in de bodem. Dat maakt dat het grondwater onvoldoende wordt bijgevuld.

De watercyclus. Een groot deel van de regen verdampt, slechts 25 à 30 procent sijpelt uiteindelijke de bodem in. Het grondwater voedt de meren en rivieren. Als het grondwaterpeil daalt zullen waterlopen dus ook lager komen te staan. (Bron: Wikimedia Commons)

Het belang van grondwater is niet te onderschatten. Ongeveer 99% (!) van het vloeibare zoete water in de wereld zit onder de grond. Er zit dus nog veel meer water onder onze voeten dan in de rivieren en meren (het ‘oppervlaktewater’).

Grondwater vormt een soort spaarpot voor de toekomst. Hoe groter deze spaarpot, hoe veerkrachtiger we zijn tegen droogtes. Waar bevindt zich al dat water? Er wordt een onderscheid gemaakt tussen ondiep en diep grondwater (een grondwaterlaag wordt ook wel aquifer genoemd). Het ondiepe grondwater gaat tot enkele tientallen meters diep. Elke keer als het regent wordt dit aangevuld. Maar niet al het regenwater sijpelt de bodem in: 60% verdampt en 7% vloeit over het land af naar de beken en riolen. Uiteindelijk infiltreert maar 30% in de bodem.

Het grondwaterpeil is niet altijd hetzelfde. Het varieert naargelang de seizoenen. Doordat er meer verdamping is tijdens de warme zomermaanden, staat het water dan het laagst. In de winter regent het meer en verdampt er veel minder, waardoor het grondwater het meest wordt aangevuld. Rond maart staat het normaal op zijn hoogste peil.

Grondwater wordt trager aangevuld door de regen dan rivieren en beken. Dit geldt bij uitstek voor de diepere grondwaterniveaus. Tussen het ondiepe en het diepe grondwater zit vaak een tussenliggende grondlaag, die opgebouwd is uit klei of leem (dit noemt men aquitards). De aquitards laten nauwelijks water door. Om die reden duurt het heel lang – decennia of zelfs eeuwen – vooraleer het diepe grondwater opnieuw aangevuld is.

Te veel diep grondwater oppompen is dus een slecht idee. Het is vergelijkbaar met het aanboren van je spaargeld voor je dagelijkse uitgaven. Hoe langer je het blijft doen, hoe groter de kans dat je blut gaat. In Vlaanderen hebben we in het verleden veel van ons “spaargeld” opgedaan. Bedrijven hebben in het verleden veel diep grondwater opgepompt zodat de waterspaarpot is gekrompen. Nu moeten we hem dus terug proberen opbouwen.

De bodem is opgebouwd uit verschillende lagen. In de bovenste laag, de onverzadigde zone, bevindt zicht het zogenaamde ‘hangwater’. Het blijft hangen zodat bomen en planten het kunnen opzuigen. Daaronder zit een freatische waterlaag of aquifer. Onder de aquifer zitten vaak aquitards, dit zijn grondlagen die moeilijker water doorlaten, zoals een kleilaag. Tussen de aquitards .zitten ‘gespannen aquifers’.

Infiltreren, wie zijn best doet zal het leren

Gelukkig zijn er veel manieren om dat te doen. De eerste manier is om kraanwatergebruik te beperken. Dat kan door een regenwaterput aan te leggen en het water te gebruiken om het toilet door te spoelen, kleren te wassen en de planten water te geven. Hoe minder kraanwater huishoudens verbruiken hoe minder water drinkwaterbedrijven moeten oppompen uit de diepere grondlagen.

De overheid kan ook waterbuffers creëren in de vorm van spaarbekkens. Als er veel regen valt vullen deze bekkens zich op en blijft het water staan. Later kan het dan weer gebruikt worden door landbouwers om hun land te bevloeien. Een nadeel aan deze spaarbekkens is dat ze meestal ver van de boerderijen liggen, met als gevolg dat de boer veel geld verliest doordat het water met vrachtwagens getransporteerd moet worden. Als boeren hun waterreserves dichtbij willen hebben, is het beter om waterbassins of regenwaterputten aan te leggen. Zo hoeven ze veel minder water op te pompen uit beken, kanalen of rivieren.

Een derde strategie om infiltratie van regenwater te bevorderen is ‘ontharding’: het zoveel mogelijk vermijden van beton en asfalt. Het ontharden van voortuinen – bijvoorbeeld door de tegels te verwijderen – levert niet alleen infiltratie op, maar ook nog andere voordelen: minder hittestress, meer biodiversiteit en een mooier straatbeeld. Professor hydrologie Patrick Willems (KUL) spreekt over een win-win-win-win-maatregel. Vlaams minister van Omgeving Zuhal Demir overweegt daarom om het volledig betegelen van opritten te verbieden. Het nadeel aan ontharden is dat het doorgaans een traag en duur proces is, dus we moeten ook op andere paarden wedden.

We moeten dus op zoek gaan naar snellere manieren om water te doen infiltreren. Een van die manieren is een zogenaamde ‘wadi’. Dit is een strook gras met een soort kom in waar water in kan staan. Eerst worden de straten en daken van huizen afgekoppeld van de riolering. Vervolgens wordt het regenwater op de daken en op straat naar de wadi afgevoerd waar het kan infiltreren in de bodem. Onder het gras zit een zogenaamde ‘grindkoffer’. Grind laat zeer goed water door omdat er veel poriën tussen de grindkorrels zitten waar het water tussen kan lopen. Zo verloopt de infiltratie in de bodem dus optimaal.

Een nog eenvoudigere maatregel is het aanleggen van een infiltratiekom in de tuin. Dit is een lager gelegen gedeelte van de tuin met gras en planten waar je het overtollige regenwater via een pijp naartoe kan sturen.

Al deze oplossingen kunnen de waterschaarste in Vlaanderen op een effectieve manier tegengaan. Dat is ook het doel van de Blue Deal van Vlaams minister van Leefmilieu Zuhal Demir. Een goed waterbeheer is een mooi voorbeeld van iets dat we tous ensemble moeten doen. Je hebt burgers, landbouwers en bedrijfsleiders nodig die snappen hoe kostbaar water is, maar ook politici die doortastend beleid voeren. Als we ervoor zorgen dat de spaarbank onder onze voeten zoveel mogelijk wordt aangevuld, zijn we in de toekomst veel sterker gewapend tegen een warmere planeet.

OVER WATER: De rol van water op een warmere planeet (DEEL 1)

Leestijd: 8 minuten

In België klagen mensen eerder dat het te veel regent dan te weinig. Nochtans is regen erg kostbaar want vreemd genoeg worden België en Vlaanderen geplaagd door waterschaarste. Het vele beton en asfalt in ons land maakt dat water te weinig kan infiltreren in de bodem.

In een opwarmende wereld zal de beschikbaarheid van water in grote mate bepalen hoe aangenaam en leefbaar ons leven in de toekomst zal zijn. Droogte en watertekort in de zomer is niet langer iets dat enkel voorkomt in droge regio’s zoals de Sahel of het Midden-Oosten, maar ook op veel andere plekken, zoals ons eigen land. Dat hebben we de laatste jaren ook ondervonden: boeren mochten geen water oppompen en huishoudens mochten hun gazon niet meer sproeien of hun auto wassen met kraanwater.

De warmere temperaturen zorgen niet enkel voor droogte, ze veranderen in feite de volledige watercyclus op aarde. Warme lucht kan meer vocht vasthouden, waardoor wolken langer in de lucht blijven. Dat heeft tot gevolg dat de periodes van droogte – vooral in de lente en de zomer – langer zullen duren. Als het dan uiteindelijk toch regent zal er veel meer regen vallen, waardoor het risico op overstromingen en bodemerosie groter wordt.

We moeten ons dus goed voorbereiden op de veranderende watercyclus. Cruciaal daarbij is goed waterbeheer. Zoet water is uiteraard nodig om ons en alle andere organismen in leven te houden. Maar water is ook een onmisbare grondstof. We hebben het nodig om te koken, te wassen en te plassen, om voedsel te produceren en om allerlei producten zoals papier en kledij te maken.

In de toekomst zullen we dus nog heel veel water nodig hebben. Daarom hebben we nood aan adaptatie: het veerkrachtig maken van onze samenleving en economie tegen een warmere en drogere wereld. Daarbij spelen zowel technologie als goed rentmeesterschap een rol. Over die twee pijlers van goed waterbeheer zal deze reeks gaan. Daarvoor moeten we eerst terugreizen in de tijd.

Deel 1: Hoe zet je een woestijn in bloei?

In de jaren 30 van de vorige eeuw ging de Israëlische wateringenieur Simcha Blass op bezoek bij een bevriende boer nabij de stad Haifa. Toen ze in de achtertuin aan het dineren waren, merkte Blass iets vreemds op: tussen een aantal kleine verdorde bomen stond een grote boom met frisgroene bladeren had. De boer zei dat het een mysterie was waarom deze ene boom zo sterk en gezond was. Er was geen rivier of watervoerende grondlaag in de wijde omtrek. Na veel zoeken vond Blass uiteindelijk de oorzaak: onder de grond zat een pijpleiding met een kleine lek die druppelsgewijs de wortels van deze ene boom doordrenkte.

De eerste joodse nederzettingen in de Negev-woestijn, foto uit 1958 (Wikimedia Commons)

Simcha Blass zou later één van de architecten van het wereldberoemde Israëlische watersysteem worden. Hij zette zijn eerste stappen in de jaren veertig door de eerste waterleiding te bouwen naar de Negev-woestijn. Hierdoor konden de eerste elf Joodse nederzettingen in de Negev worden gebouwd. Maar hij was nog niet aan zijn proefstuk toe. Twintig jaar later, in de jaren 60, vond Simcha Blass samen met zijn zoon Yeshayahu een nieuwe vorm van irrigatie uit: druppelirrigatie. Hij herinnerde zich goed de lekkende pijpleiding die hij dertig jaar eerder ontdekte in de achtertuin van zijn vriend en besloot om druppelirrigatie toe te passen.

Het principe van druppelirrigatie is vrij eenvoudig: je creëert een netwerk van plastic slangen en prikt er op bepaalde plaatsen gaatjes in. De gaatjes bevinden zich best zo dicht mogelijk bij de wortels van de gewassen, zodat het water heel precies wordt toegediend. Deze methode is veel efficiënter en zuiniger dan klassieke vormen van irrigatie. Bij klassieke irrigatie worden vaak sproeiers gebruikt waarbij veel water niet op de juiste plek belandt en vervolgens gewoon verdampt. Soms worden zelfs velden volledig onder water gezet.

Druppelirrigatie bleek een groot succes: het verhoogde de opbrengsten van boeren en bespaarde enorm veel waterkosten uit. Vandaag kan Israël bijna volledig voorzien in haar eigen voedsel. Het land is zelfs een belangrijke exporteur van landbouwproducten zoals dadels, avocado’s, olijfolie, granaatappels, citrusvruchten en amandelen. 

Druppelirrigatie (Wikimedia Commons)

Het succes van Israël bleef niet onopgemerkt. Andere kurkdroge landen begonnen ook geïnteresseerd te raken in druppelirrigatie. Simcha Blass richtte daarom het bedrijf Netafim op om zijn irrigatietechnologie ook in andere landen aan de man te brengen. Vandaag verkoopt Netafim druppelirrigatiesystemen over de hele wereld, vooral in regio’s die kampen met ernstige waterschaarste.

Voor veel landen in de wereld is de waterschaarste in Israël een voorbode van hun eigen toekomst. Door de klimaatopwarming zullen droogtes toenemen en zal de beschikbaarheid van water dalen. De Israëlische wateringenieurs hebben uit pure noodzaak slimme oplossingen moeten bedenken voor het waterprobleem. Druppelirrigatie is daar slechts één voorbeeld van. Israël is ook kampioen in het opsporen van waterlekken, het recycleren van afvalwater, het ontzilten van zeewater en waterbesparing. Veel landen in het Zuiden hebben nood aan deze opgebouwde expertise. De klimaatopwarming zal hen immers het hardst treffen.

Ook in Vlaanderen hebben we steeds meer te kampen met waterschaarste. Hoe we ons daartegen kunnen wapenen zullen we in de volgende posts nagaan.

Een vaccin tegen complotdenken (IV): de eigenaardigheden van ons brein

Leestijd: 10 minuten

Complotdenkers zijn vaak marginale figuren. Ze komen zelden hun huis uit. Ze vertrouwen niemand, zelfs niet hun eigen familie. Ze hebben vaak psychische problemen en kunnen zich moeilijk integreren in de samenleving.

Klinkt dit aannemelijk? Toch klopt het niet. De meeste mensen die in complotten geloven, lijden niet aan paranoia[1]. Ze zijn evenmin dom of gek. Complotaanhangers zijn meestal mensen zoals jij en ik, die gewoon meedraaien in de samenleving. Onder hen bevinden zich arbeiders en CEOs, leerkrachten en dokters, hoogopgeleiden en laagopgeleiden, millennials en boomers.   

Het geloof in complottheorieën is dus verre van uitzonderlijk. In principe kan iedereen in het konijnenhol van een complottheorie tuimelen[2]. Dit is op het eerste zicht vreemd. Hoe komt het dat ons brein hier zo vatbaar voor is?

Geloven in denkbeeldige complotten biedt op het eerste zicht weinig voordelen. Wie in een illusie gelooft botst vroeg of laat met zijn neus tegen de realiteit. Toch is het geloof in complotten geen gevolg van een of andere cognitieve of geestelijke afwijking. Het is net een gevolg van de manier waarop een normaal brein werkt.


1. Patronen herkennen

Onze hersenen hebben geen rechtstreekse toegang tot de werkelijkheid. Ze zitten immers gevangen in onze hersenpan waar het pikdonker is. Ons brein maakt een reconstructie van onze omgeving op basis van de informatie die onze zintuigen verzamelen.

Onze hersencellen proberen orde te scheppen in de chaos door patronen te ontwaren. Dit is het duidelijkst bij onze visuele waarneming. De visuele cortex[3] ontvangt eerst de “ruwe data” van ons oog, meer bepaald van de kegeltjes en staafjes op ons netvlies.  Vervolgens proberen de specialiseerde neuronen in de visuele cortex vormen, kleuren en contrasten te onderscheiden. Tot slot worden deze vormen vergeleken met patronen uit ons geheugen. Zo zijn we in staat om voorwerpen herkennen en te categoriseren.

Onze hersenen slagen erin om in willekeurige vlekken vastomlijnde objecten te zien, o.a. door perspectief te creëren. Wie goed kijkt, kan in deze afbeelding een dalmatiër zien. Eens je de dalmatiër ziet, is het onmogelijk om hem niet meer te zien.

Onze hersenen maken razendsnel onderscheid tussen een mens en een gebruiksvoorwerp, tussen een plant en een dier, tussen een gevaar of iets onschuldigs. Bij elke categorie hoort een verwachtingspatroon: een dier zal niet plots beginnen botsen als een bal, een plant zal niet beginnen praten. Als dingen die we waarnemen zich plots op een onverwachte manier beginnen te gedragen – bijvoorbeeld een blad dat begint te ‘wandelen’ – dan schrikken we. Onze hersenen zijn eerst in de war, maar geven daarna snel een nieuwe interpretatie: ‘Ik zie een insect dat lijkt op een blad’. Op zo’n moment wordt het duidelijk dat onze hersenen de wereld constant interpreteren en herinterpreteren, een proces dat grotendeels onbewust verloopt.

Het vermogen om patronen te herkennen is niet uniek voor de mens. Dieren kunnen het ook. Maar wij zijn wel de onbetwiste kampioen. Het is de basis van ons succes: zonder patroonherkenning zouden we geen taal, muziek of wetenschap kunnen creëren.

Er is echter ook een nadeel verbonden aan ons talent om patronen te zien. Soms gaat onze patroonherkenning in overdrive, met als gevolg dat we patronen zien waar ze eigenlijk niet zijn. Dit kan leiden tot bijgeloof en complotdenken. De beroemde Britse complotdenker David Icke is een goed voorbeeld. Overal waar hij kijkt ziet hij verdachte patronen. Volgens hem communiceert de elite die ons wil overheersen in een geheime taal.  De volgende tekens trekken daarbij zijn aandacht: driehoeken, vierkanten, kubussen, piramiden, het getal 13, het getal 6, vuur, hoornen, kruisen, pilaren, de planeet Saturnus, mensen met een ooglapje en mensen die hun tong uitsteken. De vraag is dus eerder: waar ziet David Icke geen verdacht patroon in?

David Icke op een lezing (2013). Bron: Wikimedia

2. Verbanden leggen: ‘valse positieven’ en ‘valse negatieven’

De Amerikaanse scepticus Michael Shermer noemt ons brein een ‘belief engine’, een ‘opvattingenmachine’ dus[4]. Onze hersenen zijn voortdurend bezig met opvattingen te vormen over de wereld. Dat doen ze door causale verbanden te leggen tussen gebeurtenissen. Die verbindingen tussen oorzaak en gevolg kunnen denkbeeldig of echt zijn. Als X wordt gevolgd door Y, dan gaan we er vaak vanuit dat X de oorzaak is van Y. We zien bijvoorbeeld elk jaar rond maart dat er veel zwaluwen terugkeren. Dit leidde vroeger tot het volkse bijgeloof dat terugkerende zwaluwen ‘de lente meebrachten’. In werkelijkheid is het causale verband natuurlijk omgekeerd: de zwaluwen keren terug omdat ze op een of andere manier weten dat de lente in de noordelijke hemisfeer weer is aangebroken.

Als we verbanden leggen die er niet zijn dan spreken we over ‘valse positieven’[5]. We denken bijvoorbeeld dat er een krokodil in het water ligt maar eigenlijk is het een boomstam. Oef, vals alarm!

Er bestaan ook ‘valse negatieven’: we zien geen verband, terwijl er juist wel één is. We denken dat we gewoon een beetje slaperig zijn en dat er niks aan de hand is, maar eigenlijk wordt onze slaperigheid veroorzaakt door het koolstofmonoxidegas dat uit de kachel komt. We worden langzaam vergiftigd zonder dat we het door hebben.

Gelukkig zijn onze hersenen meestal wel alert op gevaar. Dat is logisch vanuit evolutionair oogpunt. Onze evolutionaire voorouders moesten voortdurend op hun hoede zijn voor gevaren, niet alleen voor roofdieren of vergif, maar ook voor andere mensen. Als er achter je rug plannen werden gesmeed, dan moest je dat snel in de mot hebben. Een gezonde achterdocht was van levensbelang.  

Da’s wellicht één van de redenen waarom we zo’n gevoelige detector hebben voor roddels. Iedereen kent wel het gevoel wanneer je een kamer binnenstapt en het gesprek plotseling stilvalt. Je denkt automatisch: “Zouden ze over mij bezig geweest zijn?”

Create meme "futurama Wallpaper, futurama fry , futurama suspicious" -  Pictures - Meme-arsenal.com

Meestal zien we spoken (een ‘vals-positief’ dus), maar soms zit ons buikgevoel wel juist: je vrienden zijn écht aan het kwaadspreken over jou. Dan is het misschien beter om andere vrienden te zoeken. Dat is pijnlijk, maar de situatie waarin we ons van geen kwaad bewust zijn – een vals negatief dus – is nog veel erger.

Vals-positieven zijn doorgaans minder kostbare vergissingen dan vals-negatieven. Dat is de reden waarom mensen liever iets té argwanend zijn dan té naïef. En dus zullen mensen af en toe complotten zien waar er geen zijn.

3. Het was de bedoeling

Naast patronen herkennen, verbanden leggen en waakzaam zijn, is er nog iets typisch voor de menselijke psychologie. Dat wordt duidelijk als we wat vragen stellen aan een kleuter. Als je vraagt ‘Waarom schijnt de zon?’, dan zal hij of zij vaak antwoorden: ‘Ze schijnt om ons warm te houden’. In de wereld van een kind heeft alles een doel en een nut[6]. Rotsen hebben een scherpe rand zodat beren zich kunnen krabben. De regen valt zodat we kunnen drinken. Bomen zijn er om ons schaduw te geven, enzovoort. Kinderen denken dus dat levenloze materie, zoals de zon, de regen of rotsen, ook een doel of een bedoeling kunnen hebben. De ‘intentiedetector’ in hun brein werkt net iets té goed. Dat blijkt ook uit de manier waarop ze kijken naar reflexmatig gedrag, zoals niezen of geeuwen. Als je bijvoorbeeld vraagt waarom zijn mama niest dan zal een kleuter antwoorden: ‘Omdat mijn mama dat wou.’

De neiging om intenties te zoeken is iets wat kinderen automatisch doen. Ze moeten het niet aanleren, ze kunnen het uit zichzelf. Op school leren kinderen om hun intentiedetector af te zetten als het gaat over levenloze materie. Sterren, wolken en rotsen zijn ontstaan uit fysische processen en hebben geen gedachten of bedoelingen.

Toch blijft de intentiedetector zeer actief, ook als we volwassen zijn. In een klassiek experiment uit 1944 toonden de psychologen Heider en Simmel een filmpje aan een aantal proefpersonen. Je ziet drie geometrische figuren – cirkeltjes en driehoekjes – die allerlei bewegingen maakten (het filmpje duurt iets meer dan een minuut en je kan het hier bekijken). Zowat elke proefpersoon interpreteerde het filmpje als een verhaal met personages. De een zag er een pestkop in die kinderen op een speelplein aan het treiteren was. Een andere proefpersoon zag een man die zijn vrouw en haar geheime minnaar op heterdaad betrapte. Nog een ander zag een heks die twee kinderen in de val wilde lokken. Slechts een kleine minderheid beschreef het filmpje louter als geometrische figuren die in verschillende richtingen bewogen.

Uit het experiment blijkt dus dat onze intentiedetector in ons brein nooit stilzit. We gaan voortdurend op zoek naar bedoelingen, naar personen en motieven, naar helden en schurken. Zelfs als we gewoon naar een paar bewegende veelhoeken aan het kijken zijn. Dit verklaart wellicht waarom het geloof in onzichtbare wezens, zoals geesten, engelen, duivels en goden zo populair is. Het verklaart ook waarom het zo verleidelijk is om achter schokkende gebeurtenissen het werk van mensen met slechte bedoelingen te zien.

4. Zij denken zoals ik

Op zich is een neiging om intenties achter alles te zoeken onvoldoende om de populariteit van complottheorieën te verklaren. Een complot veronderstelt immers een slechte bedoeling en hoe weten we of anderen te goeder of te kwader trouw zijn? 

Vaak kunnen we niet goed inschatten wat nu precies iemands intentie is. Stel je ziet een jongen verschrikt uit een huis lopen, gevolgd door zijn grotere broer die achter hem aan rent. Achtervolgt de oudere broer hem om hem een lesje te leren? Of heeft de jongere broer een grap uitgehaald en is de achtervolging een onschuldig spel? Op het eerste zicht is het niet duidelijk.

Daarom gebruiken we vaak een hulplijn om andermans gedrag te interpreteren: ons eigen brein. We projecteren onszelf op de ander: wat zouden wij zelf denken, voelen of doen in haar situatie? Vaak zullen we ervan uitgaan dat veel mensen dezelfde voorkeuren en opinies hebben als wij. Wie houdt van hockey, Franse films en sushi denkt vaak dat anderen dat ook leuk vinden. Hoe kan je Franse films nu niét leuk vinden? Maar in realiteit verschillen anderen vaak meer van ons dan we denken.

Die neiging om te denken dat anderen op dezelfde manier in elkaar zitten als wij speelt een belangrijke rol bij complottheorieën. De psychologen Karen Douglas en Robbie Sutton vroegen aan mensen om zich in de schoenen van de Amerikaanse regering te plaatsen tijdens de jaren 60, midden in Koude Oorlog. Het scenario ging als volgt:

“Wij, Amerikanen willen als eerste op de maan geraken, voor de Sovjetunie ons voor is. Maar we hebben vastgesteld dat een succesvolle ruimtemissie naar de maan lanceren verschrikkelijk moeilijk is en een miljarden dollars kost. De Russen hebben reeds de Spoetnik en de eerste man in de ruimte geschoten. We moeten iets doen! Ben jij bereid om samen met andere overheidsagenten de maanlanding in scène te zetten op een filmset in de woestijn van Arizona?”

De meeste mensen antwoorden ‘nee’ op deze vraag. Maar het opmerkelijke was dat mensen die ‘ja’ antwoorden, zelf ook vaker in complotten geloofden. Dit is opnieuw een mooi voorbeeld van projectie: mensen die zich goed kunnen inbeelden dat ze zelf aan een samenzwering zouden deelnemen, gaan er sneller van uit dat anderen daar ook toe bereid zijn.

De Ku Klux Klan op een bijeenkomst in Chicago in 1920, bron: Wikimedia

Hier zijn ook veel historische voorbeelden van. De leden van de Ku Klux Klan dachten katholieken stiekem wapens stockeerden in kerken om in de afzienbare toekomst een oorlog te beginnen tegen de protestanten. De paus zou van plan zijn om van het Vaticaan naar Indiana in de V.S. om daarna federale regering overnemen.

Met de tijd begon de Ku Klux Klan zelf steeds meer op een kwaadaardig, geheim genootschap te lijken, met een strakke hiërarchie en geheime initiatierituelen. Ze pleegden talloze lynchpartijen op Afro-Amerikanen. Hetzelfde patroon zien we bij sommige staatsleiders. Richard Nixon stond bekend om zijn paranoïde trekjes én beraamde zelf een complot door afluisterapparatuur te laten plaatsen in het Democratisch hoofdkantoor in het Watergate Hotel. Veel dictators uit het Midden-Oosten waren even paranoïde. Ze waren voortdurend op hun hoede voor de geheime plannen van hun vijanden. Maar zelf waren ze ook niet vies van een samenzwering meer of minder[7]. De historicus Daniel Pipes merkt bijvoorbeeld op dat er bijzonder veel tegenstanders van het Hoessein-regime omkwamen in auto-ongelukken of andere “ongevallen”.

Conclusie

Wij zijn een intelligente apensoort die voortdurend patronen ziet en verbanden legt. We zijn op onze hoede voor mogelijke gevaren in onze omgeving, niet alleen voor roofdieren en giftige planten, maar ook onze eigen soortgenoten. Dat maakt dat we vaak wantrouwig zijn ten opzichte van mensen die we niet kennen. We proberen te achterhalen wat ze van zin zijn.

Soms zien mensen een complot waar er geen is (een vals positief). Soms zijn ze zich van geen kwaad van bewust terwijl anderen zich tegen ons keren (een vals negatief). Vanuit evolutionair perspectief was het voordelig om een beetje te paranoïde te zijn. Maar in de moderne tijd kan onze aangeboren waakzaamheid doorschieten, waardoor mensen in grootschalige complotten beginnen te geloven. Ze tuimelen in een konijnenhol waar ze nog moeilijk uit geraken.

VOETNOTEN


[1] Mensen met een paranoïde persoonlijkheidsstoornis wantrouwen niet alleen de overheid, maar ook hun familie, vrienden, collega’s en zelfs hun eigen partners. Ze interpreteren onschuldige of neutrale gebaren als vijandig. Door hun wantrouwen naar iedereen wordt hun normaal functioneren ernstig beperkt. Complotaanhangers hebben meestal wel vertrouwen in hun naaste omgeving, ze hebben een job en functioneren meestal normaal. Naarmate ze dieper verstrikt raken in het complotdenken ontstaan er wel vaak conflicten tussen hen en hun vrienden en familie.

[2] Het konijnenhol verwijst naar het boek Alice in Wonderland van Lewis Carroll. Het hoofdpersonage Alice valt in een konijnenhol en komt zo terecht in een nieuwe, bizarre wereld waar de dieren spreken en de wetten van de logica op hun kop staan.

[3] De cortex is het buitenste laagje van onze hersenen, de zogenaamde ‘grijze cellen’. De visuele cortex bevindt zich achteraan ons hoofd, in de occipitale hersenlob.

[4] Michael Shermer (2012) – The Believing Brain

[5] De begrippen ‘vals positief’ en ‘vals negatief’ komen uit de statistiek en worden vaak gebruikt bij medische tests. Een voorbeeld van een vals positieve test is een zwangerschapstest die zegt dat je zwanger bent (positief), terwijl je dat in werkelijkheid niet bent. Een test is vals negatief als hij zegt dat je niet zwanger bent, terwijl je het wel bent.

[6] Dit wordt ook wel een teleologisch wereldbeeld genoemd, naar het Griekse woord ‘telos’, oftewel ‘doel’.

[7] Daniel Pipes (1996), The Hidden Hand, p.25

Een vaccin tegen complotdenken (III): de paranoïde denkstijl

In de vorige aflevering leerden we dat echte complotten verrassend veel zijn voorgevallen in het verleden. Dankzij grondig onderzoekswerk van experten, wetenschappers en journalisten werden de samenzweringen aan het licht gebracht en bewezen. Bij complottheorieën ligt dat anders. Vermoedens en dubbelzinnige aanwijzingen zijn vaak voldoende om sommige mensen te overtuigen dat er een grootschalige samenzwering gaande is.

Dit onderscheid is echter niet voldoende om ons te wapenen tegen complotdenken, omdat er altijd veel discussie zal zijn over welke feiten bewezen zijn en welke niet, en over welke experts betrouwbaar zijn en welke niet. De grens tussen complotfeit en complotfictie is bovendien niet altijd scherp te trekken.

Daarom is het nuttig om te focussen op de denkstijl die kenmerkend is complottheorieën. Dit is de methode die de psycholoog Rob Brotherton volgt in zijn boek Suspicious Minds (2015). Hoewel er gigantisch veel complottheorieën bestaan, zit er vaak een gelijkaardig wereldbeeld achter. Dat wereldbeeld steunt op vijf kernopvattingen:

  1. De waarheid is nog steeds niet onthuld
  2. We leven in een wereld van schijn en bedrog
  3. De samenzwerende elite is zeer machtig en geslepen
  4. Het kwaad regeert in de wereld
  5. De officiële versie van de feiten rammelt aan alle kanten

1. DE WAARHEID IS NOG STEEDS NIET ONTHULD

Er is een opvallend verschil tussen samenzweringen die algemeen aanvaard zijn door historici en de samenzweringen waarin complotdenkers geloven. Neem bijvoorbeeld het Watergateschandaal. De inbrekers die afluisterapparatuur installeerden in het hotel werden betrapt. De handlangers van Nixon die dit probeerden toe te dekken werden ontmaskerd. En, tot slot, nam de president Nixon ontslag. Het is met andere woorden een verhaal dat min of meer is afgerond. Er kunnen later nog details vrijkomen over andere feiten of andere betrokkenen, maar die zullen het grote plaatje hoogstwaarschijnlijk niet veranderen.

Dat is heel anders is bij complottheorieën, die open-ended zijn. Neem bijvoorbeeld de theorie dat 9/11 een inside job is: de WTC-torens zijn door agenten van de Amerikaanse overheid werden volgestapeld met explosieven en op 11 september tot ontploffing gebracht. De vliegtuigen die de torens doorboorden waren een afleidingsmanoeuvre om het te doen lijken op een terreuraanslag van Al Qaeda. Mensen die deze theorie aanhangen noemen zichzelf de 9/11-truthers.

Volgens deze truthers is het toedekken van deze operatie nog steeds aan de gang. Het publiek tast nog steeds in het duister, de ware daders lopen nog steeds vrij rond. Dus moeten we de zaak verder onderzoeken. Dit ‘onderzoek’ stopt eigenlijk nooit. Dit is niet uniek voor de 9/11-complottheorie. Elke complottheorie teert op onbeantwoorde vragen die alsmaar talrijker worden.

Degenen die in complottheorieën geloven leveren ook weinig bewijzen aan voor de theorie. Dit is in hun ogen niet problematisch. Integendeel zelfs: de afwezigheid van bewijs vormt juist een aanwijzing dat de theorie klopt. Het toont immers dat de samenzweerders zeer bedreven zijn in het uitwissen van hun sporen.

Wat dan met het bewijs voor de officiële versie? Aanhangers van complottheorieën stellen vaak dat dat bewijs neergeplant is en dus helemaal niks aantoont. Deze omgekeerde epistemologie maakt dat complottheorieën onmogelijk te weerleggen zijn. Er is geen enkel bewijs dat de complotdenker op andere gedachten kan brengen.  

2. “We leven in een wereld van schijn en bedrog”

Mensen zijn altijd al gefascineerd geweest door het onderscheid tussen de schijn en werkelijkheid. De filosoof Plato stelde dat de alledaagse wereld die we waarnemen slechts een schijnwereld is. Plato gebruikte de metafoor van mensen die gevangen zitten in een grot. Ze kijken naar de muur en zien enkel bewegende schaduwen. Ze denken dat de schaduwen de werkelijkheid zijn. Maar af en toe is er iemand die zich bevrijdt van haar ketenen en uit de grot rent. Op dat moment ontdekt ze een heel andere wereld. Dankzij het felle zonlicht ziet ze plots de waarheid: de wereld van de grot is een illusie, de wereld daarbuiten is de echte werkelijkheid.

Complotdenkers zijn ervan overtuigd dat de meeste mensen, net zoals de bewoners van de grot, gevangen zitten in een schijnwerkelijkheid. Ze zijn de sheeple, een samentrekking van sheep en people. Als volgzame schapen gaan ze mee in de officiële versie van de feiten die de overheid en experts hen voorkauwen.

Kritische burgers die zelf onderzoek durven doen, zullen echter de waarheid te weten komen. En die waarheid is schokkend: we worden langs alle kanten bedrogen. Overheden willen burgers niet beschermen maar onderdrukken, wetenschappers willen de kennis niet vergroten maar vernietigen, nieuwsmedia willen het publiek niet informeren maar misleiden.

Binnen dit wereldbeeld is het logisch om de officiële versie van de feiten altijd te wantrouwen. Aangezien niets ooit is wat het lijkt, is de officiële versie wellicht een leugen. Vandaar dat complotdenkers vaak spreken over false flag-operaties. Dit zijn operaties waarbij de overheid haar eigen burgers aanvalt, maar de schuld steekt op iemand anders (een terreurgroep bijvoorbeeld), met als uiteindelijke bedoeling een oorlog te beginnen of burgers te bespioneren. De officiële versie is uitgedacht door de samenzweerders zelf om het publiek een rad voor de ogen te draaien.

In democratische landen is dit wantrouwen meestal niet gegrond, omdat men veel waarde hecht aan openheid en transparantie (of alleszins veel meer dan in dictatoriale regimes). Bij schokkende gebeurtenissen – zoals een groot corruptieschandaal of een terreuraanslag – worden er parlementaire commissies opgericht waarbij een heleboel experten en getuigen worden gehoord. Als meerdere, onafhankelijke experten en getuigen hetzelfde zeggen is dat een sterk argument om aan te nemen dat ze de waarheid spreken.

Warren Commission Complete Report, Hearings, and Exhib -  PaperlessArchives.com
De Warren Commission onderzocht de moord op president John F. Kennedy. Ze kwam tot het besluit dat Lee Harvey Oswald de enige dader was.

Zelfs als een commissie corrupt is of geen goed werk levert, zijn er nog altijd onafhankelijke onderzoeksjournalisten die de waarheid aan het licht kunnen brengen. In theorie is het altijd mogelijk dat zelfs met deze controlemechanismen de échte waarheid niet wordt blootgelegd. Maar wie met een andere versie van de feiten komt, zal stevige bewijzen moeten voorleggen.

3. “De samenzwerende elite is extreem machtig en geslepen”

Als we kijken naar echte samenzweringen, dan zien we dat ze vaak mislukken of alleszins niet verlopen zoals verwacht. Veel geplande terreuraanslagen worden (godzijdank) verhinderd doordat de politie of staatsveiligheid de terroristen op tijd kan klissen.

Complotten kunnen ook mislukken doordat een van de samenzweerders klungelt of zijn mond voorbij praat. Hun plan kan ook gefnuikt worden als de slachtoffers op tijd doorhebben wat ze van zin zijn. Dit was het geval bij vlucht United 93, één van de vliegtuigen die gekaapt werden op 9/11. Doordat de passagiers hadden gebeld met familieleden, hadden door wat de terroristen van plan waren. Daarom drongen ze de cockpit binnen en probeerden ze de terroristen te overmeesteren. Door de chaos in cockpit crashte het vliegtuig uiteindelijk in een veld in Pennsylvania. Het plan van de kapers om het vliegtuig te doen crashen in het Witte Huis liep zo in het honderd.

Het is niet alleen moeilijk om een samenzwering goed uit te voeren, maar ook om ze stil te houden. Schandalen zoals Watergate, de ponzifraude van Bernard Madoff, dieselgate en het seksueel misbruik van Jeffrey Epstein en Ghislaine Maxwell zijn uiteindelijk allemaal aan het licht gekomen. Eén van de samenzweerders kan wroeging krijgen en uit de biecht klappen, slachtoffers kunnen naar de politie stappen of de recherche kan sporen vinden. Hoe meer mensen erbij betrokken zijn, hoe moeilijker het is om het deksel op de pot te houden. Zoals Benjamin Franklin het ooit verwoordde: ‘Three men can keep a secret, if two of them are dead.’

Complotdenkers gaan er echter van uit dat de samenzweerders enorm sluw zijn en zelden een misstap begaan. Ze hebben alles tot in de kleinste details uitgedacht en uitgevoerd. Al hun handlangers gehoorzamen perfect aan hun orders. Deze ‘hypercompetentie’ is een onrealistische aanname: mensen van vlees en bloed doen domme dingen, zijn slordig en praten hun mond voorbij.

4. Het kwaad regeert

De samenzweerders die figureren in complottheorieën zijn niet een beetje slecht, maar door en door verdorven. Ze zijn compleet gewetenloos en laten zich door niks tegenhouden. Ze zijn enkel uit op geldgewin, macht en sadistisch genot.

Hier speelt opnieuw de enorme kloof die aanhangers van complottheorieën zien tussen schijn en werkelijkheid. De samenzweerders lijken gewone politici of bedrijfsleiders, maar achter dit masker schuilen waarachtige monsters. Hillary Clinton lijkt op het eerste zicht een politica als een ander, maar in werkelijkheid staat ze aan het hoofd van een gruwelijk pedofilienetwerk. Virologen zijn schijnbaar bezorgd om de volksgezondheid, maar in feite spelen ze onder één hoedje met de overheid om mensen doodsangst aan te jagen en te hersenspoelen. De samenzweerders in complottheorieën zijn goed te vergelijken met de duivel: ze zijn het vleesgeworden kwaad.

In werkelijkheid zijn mensen zelden duivels slecht. Onderzoekers en journalisten die praten met moordenaars zijn vaak verbaasd hoe gewoon deze mensen overkomen. Zelfs mensen die de ergste gruweldaden hebben begaan, zien er opvallend gewoon uit. Toen Hannah Arendt schreef over nazi’s die duizenden joden richting de gaskamers hadden gestuurd, was ze verrast over ‘de banaliteit van het kwaad’.

Mensen die vreselijke dingen doen, vinden zelden van zichzelf dat ze slechte mensen zijn. Ze rationaliseren hun slecht gedrag: ‘als ik het niet doe, doet iemand anders het wel’, ‘mochten zij in onze plaats zijn, ze zouden ons ook niet sparen’, ‘zij bedreigen onze manier van leven’, enzovoort. In hun eigen ogen doen ze gewoon wat noodzakelijk en rechtvaardig is. Het cartooneske beeld van het kwaad dat domineert in complotdenken stemt dus niet overeen met de realiteit

5. “De OFFICIËLE VERSIE RAMMELT AAN ALLE KANTEN”

Een laatste kenmerk van complotdenken is de gelijkschakeling van anomalieën aan bewijs. Anomalieën zijn ‘afwijkingen’, dingen die we niet direct kunnen verklaren en die op het eerste zicht bizar zijn.

Zo waren er bij de moord op JFK een aantal tegenstrijdige getuigenissen. Een aantal getuigen zeiden dat ze meer dan drie schoten hadden gehoord toen Kennedy werd vermoord, terwijl de Warren Commission had vastgesteld dat er slechts drie schoten waren afgevuurd. Hieruit concludeerden sommigen dat Lee Harvey Oswald niet de enige dader kon zijn en dat hij had samengewerkt met een andere schutter (of schutters). Er werd echter een belangrijk element weggelaten. In werkelijkheid hadden slechts 5% van de getuigen vier of meer schoten gehoord. De grote meerderheid (81%) sprak over drie schoten. Deze tegenstrijdige getuigenissen zijn niet zo abnormaal. Uit psychologisch onderzoek blijkt dat ons geheugen bepaalde details van herinneringen (onbewust) kan aanpassen. Ons geheugen is geen videocamera die gebeurtenissen fotografisch vastlegt.  

Complotdenkers maken vaak jacht op anomalieën. Die vormen als het ware de aanwijzingen in de complotpuzzel. Een beroemd voorbeeld zijn de foto’s van de maanlanding. Hoe komt het dat de Amerikaanse vlag aan het wapperen is terwijl er helemaal geen atmosfeer is op de maan? Deze anomalie vormt volgens complotdenkers sterk bewijs dat er meer aan de hand is. Ze toont dat de maanlanding in werkelijkheid plaatsvond op een filmset op aarde.

Nochtans zijn er meestal eenvoudige verklaringen te vinden voor de anomalieën die complotdenkers hebben ontdekt[1]. Een belangrijk principe dat wetenschappers hanteren is ‘het scheermes van Ockham’: ze proberen met zo weinig mogelijk veronderstellingen een fenomeen te verklaren.

Bij het zoeken naar een verklaring is consistentie met bestaande kennis erg belangrijk. De verklaring moet voortbouwen op wat we al weten en ze moet verenigbaar zijn met bestaande wetenschappelijke theorieën. Die kennis is immers al voldoende getest. Als je tegen aanvaarde wetenschappelijke theorieën ingaat, wacht je een zware bewijslast.

Ockham's Razor | Our Politics

Complottheorieën schenden het principe van Ockham doordat ze een heleboel bijkomende hypothesen poneren. Als de maanlanding fake was, dan zouden de beelden en foto’s moeten gemaakt zijn op aarde. Dat veronderstelt een filmset, acteurs en een regisseur. Het NASA-personeel zou alles moeten stilhouden en er zou niks mogen uitlekken. Deze verklaring is veel minder ‘zuinig’ (en daarom minder waarschijnlijk) dan de verklaring dat de maanlanding wel degelijk echt heeft plaatsgevonden.

Vaak zullen er anomalieën overblijven die niet (helemaal) verklaarbaar zijn. Zo zijn er op de beelden van de aanslagen op 9/11 ontploffingen en lichtflitsen te zien waarvan experten de oorzaak niet direct kunnen aanwijzen. Maar dit is een normaal fenomeen in de wetenschap. Onze kennis is altijd gelimiteerd, omdat de wereld nu eenmaal complex en chaotisch is. Het is onrealistisch om te verwachten dat we voor elk klein detail van een gebeurtenis een verklaring hebben.    

Besluit

Het probleem met de denkpatronen van complottheorieën is niet dat ze volledig fout zijn. Er is niks mis met gezonde argwaan. Er bestaan effectief machthebbers met weinig morele scrupules, soms wordt er wel degelijk een façade opgeworpen en zijn er goede aanwijzingen dat de algemeen aanvaarde versie van de feiten niet (helemaal) juist is.

Het probleem schuilt in het feit dat de veronderstellingen zo extreem zijn. Aanhangers van complottheorieën zijn ervan overtuigd dat de samenzweerders extreem intelligent, extreem competent en extreem kwaadaardig zijn. Ook de omgang met bewijs is erg vervormd. Bewijzen voor de officiële versie worden van tafel geveegd, terwijl de kleinste anomalieën als bewijs voor de complottheorie worden aangenomen. Om niet in deze tunnelvisie terecht te komen moeten we bewijs pro en contra goed afwegen, zwart-witdenken vermijden en inzien dat de wereld zeer complex is.

Bronnen

Rob Brotherton (2015) Suspicious Minds

Debat tussen Coen Vermeeren en Maarten Boudry over 9/11. Universiteit Gent, 18 maart 2018. URL: https://www.youtube.com/watch?v=mqrPhltmP-U&t=1s


[1] De ‘wapperende’ vlag op de maan wordt bijvoorbeeld verklaard in dit Wikipedia-artikel.

Een vaccin tegen complotdenken (II): echte versus denkbeeldige complotten

Een complottheorie is een geloof in een samenzwering waarvoor onvoldoende bewijs is. De samenzwering heeft dus waarschijnlijk nooit plaatsgevonden. Maar uiteraard bestaan er ook échte complotten en samenzweringen. Hier zijn verrassend veel voorbeelden van te vinden in de geschiedenis.

Een kleine bloemlezing: de moord op aartshertog Frans Ferdinand gepleegd door Gavrilo Princip in 1914 (de gebeurtenis die uiteindelijk aanleiding gaf tot de Eerste Wereldoorlog), de mislukte moordpoging op Hitler door kolonel Von Stauffenberg, de moord op Patrice Lumumba, het Watergateschandaal onder president Nixon en het verzwijgen van kindermisbruik in de Kerk. De aanslagen van 11 september waren ook een samenzwering, namelijk van 19 terroristen van Al Qaeda, die verschillende vliegtuigen kaapten en twee ervan in de WTC-torens boorden. Al deze samenzweringen zijn echt gebeurd en hebben het verloop van de geschiedenis onomkeerbaar veranderd.

Gavrilo Princip beraamde samen met een aantal andere Servische nationalisten de moord op de Oostenrijk-Hongaarse troonopvolger Frans Ferdinand. Een voorbeeld van een echt complot met verstrekkende gevolgen. (bron: Wikimedia Commons)

Mensen vinden complotten angstaanjagend, maar tegelijk ook spannend en fascinerend. Het is dus geen wonder dat onze populaire cultuur ervan doordrongen is. Veel Hollywoodfilms gaan over samenzweringen, zowel fictieve als waargebeurde. Een voorbeeld van dat laatste is de film All The President’s Men, die het verhaal vertelt van de journalisten Woodward en Bernstein die het Watergateschandaal aan het licht brachten.

Maar films met fictieve complotten vormen de overgrote meerderheid: denk bijvoorbeeld aan de Bond-film Spectre (2015), waarin James Bond strijdt tegen een schimmige criminele organisatie die de wereld wil domineren. Er zijn nog tal van andere voorbeelden: The Usual Suspects (1995), The Bourne Trilogy (2002, 2004, 2007), The Da Vinci Code (2006) en The Matrix (1999). Ook in de literatuur zijn complotten een populair thema. Politieke dystopieën zoals 1984 van George Orwell en Brave New World van Aldous Huxley vormen een grote inspiratiebron voor complotdenkers. Beide verhalen waarschuwen voor de greep die totalitaire regimes over mensen hebben.   

Big Brother (George Orwell) - Wikipedia
Big Brother is de dictator uit de roman 1984 van George Orwell (geschreven in 1948). De partij van Big Brother houdt de bevolking in het oog door overal camera’s te hangen, ook in de woningen. Al wie tekenen van ontrouw aan de partij vertoont, wordt opgepakt, ondervraagd en desnoods geliquideerd. (bron: Wikimedia Commons)

Doordat complotten deel uitmaken van onze cultuur en geschiedenis, is het dus logisch dat veel mensen de overheid of andere machtige instanties niet helemaal vertrouwen. Dat hoeft niet per se iets negatiefs te zijn. Als mensen waakzaam zijn en kritische vragen stellen, komen wantoestanden en schandalen sneller aan het licht. Daarom is het onverstandig om élk vermoeden van een samenzwering af te doen als een complottheorie. Soms zijn er wel degelijk goede redenen om te denken dat er iets niet pluis is.

Zelfs een foute samenzweringstheorie kan zijn nut bewijzen, omdat ze de overheid onder druk zet om transparanter te zijn. De claim dat 9/11 een inside job was – de Amerikaanse overheid zou zelf de WTC-torens hebben opgeblazen met explosieven – werd door veel mensen geloofd. De Amerikaanse overheid wilde de theorie weerleggen, maar dat kon ze enkel door het publiek meer informatie te verschaffen over wat er op 11 september precies gebeurd was. Ook de samenzweringstheorieën over de moord op John F. Kennedy zorgden direct of indirect voor meer transparantie. De film JFK (1991), geregisseerd door Oliver Stone, suggereerde dat Lee Harvey Oswald niet de werkelijke moordenaar was, maar dat de geheime diensten en toenmalig vicepresident Lyndon B. Johnson erachter zaten. Er ontstond veel controverse rond de film. Dat leidde ertoe dat de geheime overheidsdocumenten over de moord op JFK vervroegd werden vrijgegeven.

Wie draagt de last van het bewijs?

Sommige samenzweringstheorieën lijken achteraf te kloppen, andere theorieën zijn erg onwaarschijnlijk. De vraag is dan: waar ligt de grens tussen terechte argwaan en overdreven complotdenken? Het korte antwoord is: bewijs. Voor samenzweringen die echt hebben plaatsgevonden is er dankzij doorgedreven onderzoek veel bewijs gevonden. Voor complottheorieën daarentegen is er nauwelijks of geen bewijs.

In de wetenschap is bewijsmateriaal essentieel om theorieën te ondersteunen. Zonder bewijs kan je niet verwachten dat andere wetenschappers je geloven. Belangrijk daarbij is het concept van de bewijslast. Het bewijs moet proportioneel zijn met de waarschijnlijkheid van je bewering. Je kan het vergelijken met een weegschaal. Wie een buitengewone, ‘zware’ bewering doet, moet met buitengewone, ‘zwaarwegende’ bewijzen komen. Stel bijvoorbeeld dat iemand zegt: ‘De overheid doet fluoride in ons drinkwater om ons dom en volgzaam te maken.’ Je kan niet beweren: ‘Ik weet gewoon dat ze niet te vertrouwen zijn, ik voel het gewoon.’ Je gevoel of je intuïtie is geen betrouwbare bron van kennis, want intuïties verschillen van mens tot mens. Hoe bepalen we dan wiens intuïtie de juiste is?

Copyright Pixabay

Je kan evenmin beweren: ‘Ik kan misschien niet bewijzen dat de overheid ons dom wil houden, maar jij kan evenmin bewijzen dat het niét zo is.’ Dit is een manier om de bewijslast om te keren. Dat is een vorm van valsspelen omdat het zeer moeilijk – zo niet onmogelijk – is om te bewijzen dat een gebeurtenis X niet heeft plaatsgevonden. We hebben allemaal slechts toegang tot een klein stukje van de werkelijkheid. Hoeveel kennis mensen ook verzamelen, er zullen altijd dingen zijn die we niet weten. Daarom kunnen we dus ook veel dingen niet met absolute zekerheid uitsluiten. Vandaar de Engelse zegswijze: ‘You can’t prove a negative’.

Wat kunnen we dan wel doen om meer zekerheid te krijgen? Om niet te blijven steken in giswerk en speculatie, moeten we bewijzen verzamelen over wat wél echt bestaat of heeft plaatsgevonden. Een cruciale vraag hierbij is: wat is sterk en wat is zwak bewijs? Welke criteria moeten we daarvoor hanteren? Op deze vraag kom ik later nog terug. Voorlopig kunnen we het principe hanteren van de beroemde scepticus Christopher Hitchens (ook wel Hitchens’ scheermes genoemd):  “Wat zonder bewijs wordt beweerd, mag zonder bewijs worden afgewezen”.

Het gebrek aan bewijs is niet het enige wat er schort aan samenzweringstheorieën. Complotdenkers bezondigen zich vaak aan denkfouten en biases (vooringenomenheden). Het is nuttig om die denkfouten onder de loep te nemen, omdat het vaak om uitvergrotingen gaat van denkfouten die iedereen wel eens maakt. Zoals ik in mijn vorige post benadrukte zijn complotdenkers vaak geen rare snuiters of psychiatrische patiënten. In ieder van ons zit ergens wel een complotdenker. In het volgende deel zal ik de denkfouten belichten die typerend zijn voor complotdenken, zodat er op tijd alarmbellen afgaan als we ze maken. 

Bronnen

Brecht Decoene (2016), Achterdocht, tussen feit en fictie. Academic and Scientific Publishers.

Debat tussen Coen Vermeeren en Maarten Boudry over 9/11. Universiteit Gent, 18 maart 2018. URL: https://www.youtube.com/watch?v=mqrPhltmP-U&t=1s

Een vaccin tegen complotdenken (I)

In deze turbulente tijden kan je er niet meer naast kijken: de vele complottheorieën die circuleren op sociale media, de ene nog ongelooflijker dan de andere. De coronapandemie wekt bij veel mensen gevoelens van angst, onzekerheid en boosheid op, waardoor ze op zoek gaan naar een houvast. Soms vinden ze die houvast in een complottheorie en een (online) gemeenschap van believers.

Er is een overvloed aan samenzweringstheorieën, maar hier is alvast een kleine greep aan wat je zoal tegenkomt online:

  • De Chinese overheid zou het coronavirus gemaakt hebben in een lab en het daarna laten ontsnappen.
  • Bill Gates zou chips willen inplanten via vaccins om miljarden mensen vanop afstand te kunnen manipuleren.
  • Volgens QAnon, een online complotbeweging uit de V.S., zouden Joe Biden en Hillary Clinton deel uitmaken van een satanisch pedofielennetwerk dat elk jaar duizenden kinderen ontvoert.

Naast een pandemie, is er dus ook een infodemie, een plaag van desinformatie, complottheorieën en broodje-aapverhalen die in een razend tempo circuleren op sociale media.

Complottheorieën hebben altijd al bestaan, maar vandaag kunnen ze zich onbeperkt verspreiden dankzij het internet en de globalisering. Het internet dient in feite als een soort “superverspreider” van al deze verhalen. Het fabriceren en verspreiden van valse informatie is spotgoedkoop geworden. Je hoeft enkel maar een sociale media-account te hebben waarmee je duizenden mensen bereikt en je kan je theorie in principe ‘viraal’ laten gaan.

In dit digitale tijdperk ontstaat er dus al snel een ongelijke strijd tussen desinformatie en waarheid. Het factchecken en weerleggen van al die desinformatie en complottheorieën is immers onmogelijk, simpelweg omdat er teveel van zijn.

Toch moeten we er ons tegen wapenen. Een van de manieren om dat te doen is door een paar eenvoudige principes van kritisch denken aan te leren. Kritisch denken vormt een schild tegen desinformatie.  

1. Complotdenkers: wie zijn ze? Wat drijft hen?

Complotdenken komt in verschillende gradaties. Je hebt ‘twijfelaars’ en ‘diehards’ (en uiteraard alles daartussen). Twijfelaars flirten met een complotidee zonder er zich volledig aan te binden. Ze laten bijvoorbeeld de mogelijkheid open dat het coronavirus gemaakt is in een Chinees lab, maar zijn er niet zeker van. De categorie van twijfelaars is de grootste. Onderzoek heeft uitgewezen dat zowat iedereen wel een of andere complottheorie aanhangt. Zo denkt maar liefst 60% van de Amerikanen dat John F. Kennedy vermoord is door de maffia, de CIA of de Amerikaanse regering. Complotdenkers zijn dus niet per se gekke mannen met een aluminium hoedje die in een kelder achter hun pc zitten.

2. Hoe schadelijk is complotdenken?

Sommige mensen raken gefascineerd door complottheorieën omdat ze fantasierijk, spannend of simpelweg totaal van de pot gerukt zijn. Maar complottheorieën zijn niet altijd zo onschuldig. Mensen kunnen er zo diep worden ingezogen dat ze de voeling met de realiteit verliezen. De complottheorie wordt een obsessie: mensen beginnen uren te spenderen online om ‘bewijzen’ te vinden en anderen te overtuigen dat de officiële versie van de feiten niet klopt. Zo raken ze uiteindelijk vervreemd van hun eigen familie en vrienden.

Complotdenkers schaden niet alleen zichzelf en hun naasten, maar ook veel buitenstaanders. Ze uiten bijvoorbeeld valse beschuldigingen tegen mensen die niks gedaan hebben of ze overtuigen anderen dat ze de waarheid spreken, waardoor ook zij in het moeras van alternatieve feiten worden meegetrokken. Het tragische is dat complotdenkers dit vaak doen in de volle overtuiging dat ze strijden voor de goede zaak.

Daar komt nog bij dat complotdenken in tijden van pandemieën ronduit gevaarlijk is. Mensen zullen zichzelf en anderen onvoldoende beschermen als ze denken dat corona maar een griepje is of – nog straffer – een verzinsel van ‘de nieuwe wereldorde’ om iedereen onder de knoet te krijgen.

3. Beter voorkomen dan genezen

Hoe we precies met complotdenkers moeten omgaan is een delicate kwestie. Mensen die in complotten geloven als ‘dom’ of ‘gek’ bestempelen, kan een bevredigend gevoel bezorgen, maar het brengt ons zelden vooruit. Het zorgt er enkel voor dat de persoon in kwestie zich nog meer zal ingraven en nog meer zal terugtrekken onder gelijkgezinden. Langdurig in discussie gaan levert meestal ook niet veel op. Believers in complotten hebben vaak al een heleboel gelezen over het onderwerp, waardoor ze hun discussiepartners onder tafel praten.

De beste methode blijkt vooralsnog preventie te zijn: voorkomen dat mensen überhaupt verleid worden om complottheorieën te geloven.

4. Vooruitblik: hoe bouw je een betrouwbare kaart op van de werkelijkheid?

Copyright Pixabay

Om op deze vraag een antwoord te bieden, zal ik een reeks posts schrijven over complottheorieën en kritisch denken. Deze reeks kan je zien als een soort vaccin tegen complotdenken. Ze kan nuttig zijn voor verschillende soorten mensen: voor jongeren die zich willen wapenen tegen complotdenken, voor ‘complottwijfelaars’ en voor mensen met hen in contact komen en niet goed weten hoe ze hen immuun kunnen maken. Ook leerkrachten die hun leerlingen iets willen bijbrengen over kritisch denken kunnen misschien iets hebben aan deze reeks. Ik baseer mezelf op een aantal boeken over kritisch denken en complottheorieën die je in onderaan deze tekst terugvindt. Daarnaast doe ik ook beroep op wat ik onthouden heb uit mijn studie Wijsbegeerte en hoe ik zelf doorheen de jaren kwaliteitsvolle en minder kwaliteitsvolle bronnen heb leren onderscheiden.

Mijn aanpak is iets anders dan de gebruikelijke. In de eerste plaats zal ik niet proberen om complottheorieën of desinformatie over COVID-19 te ontkrachten. Mijn bedoeling is eerder om op een dieper niveau te werken, namelijk op het niveau van onze ‘epistemologie’. Epistemologie – afkomstig van het Griekse woord voor kennis, epistème – slaat op de manieren waarop we betrouwbare kennis over de wereld vergaren. Relevante vragen zijn daarbij: welke bronnen van kennis hebben we? Hoe bepalen we of ze betrouwbaar zijn? Hoeveel zekerheid kunnen we redelijkerwijs hebben? Wat moeten we doen als er veel onzekerheid is? Enzovoort.

Het is duidelijk dat deze vragen ook buiten de context van complottheorieën erg belangrijk zijn. Als we geen betrouwbare kennis opdoen over te wereld, is het alsof we door een bos wandelen zonder kaart of GPS. De kans dat we verdwalen of gevaren niet zien aankomen zal bijzonder groot zijn. Daarom is het geen overbodige luxe om over onze kennis en ons wereldbeeld na te denken.

In de volgende posts zal ik de volgende vragen onderzoeken:

  • Welk wereldbeeld schuilt er achter complottheorieën?
  • Waarom is complotdenken zo verleidelijk?
  • Welke psychologische biases zijn kenmerkend voor complotdenken?
  • Welke principes van kritisch denken voorkomen dat je in het konijnenhol van complottheorieën valt?
  • Wat zijn (on)betrouwbare bronnen?
  • Zijn nieuwsmedia, de overheid, wetenschappers ideologisch vooringenomen (‘biased’)? Heb je zelf een bias? Hoe detecteer je dat?

Verder lezen

Website Gezondheid en Wetenschap: Dossier coronavirus

Johan Braeckman en Maarten Boudry (2011), De ongelovige Thomas heeft een punt

Brecht Decoene (2016), Achterdocht, tussen feit en fictie: Kritisch omgaan met complottheorieën

Marleen Finoulst (red.) (2020), Dokter Google

Joseph R. Uscinski (2019), Conspiracy Theories: A Primer.

De klimaatbeweging heeft nood aan bruggenbouwers

Midden augustus 2020 kwamen klimaatwetenschappers opnieuw met verontrustend nieuws: de ijskap van Groenland smelt sneller af dan gedacht. In de toekomst zou de ijskap volledig kunnen verdwijnen. Hoe kwam het dat dit geruisloos passeerde? Liggen mensen niet meer wakker van het klimaat? Zijn wij mensen dommer dan kikkers in een opwarmende pot?

Deze vragen stelde Dirk Holemans zich in zijn laatste stuk voor Knack. Anders dan kikkers kunnen mensen de kookpot stiller zetten door daadkrachtig klimaatbeleid te voeren. Waarom schieten we dan nog te weinig in actie? Holemans legt de oorzaak bij de zogenaamde ‘klimaatvertragers’: de klimaatministers die al jaren talmen om goed klimaatbeleid uit te rollen, maar ook mensen die ‘de spreekbuis zijn van de gevestigde machten’. Hun pleidooi voor technologische innovatie en economische groei zou echte klimaatoplossingen vertragen. Misschien doelt Holemans hiermee op de ecomodernistische beweging, maar dat zou vreemd zijn. Hoe zou een beweging die pleit om élke klimaatvriendelijke technologie zo snel mogelijk in te zetten de boel vertragen?

Treuzelende politici en burgers

Elders heeft Holemans wel een punt: de klimaatministers in ons land slepen teveel met hun voeten. Ze zouden bestaande groene technologieën zoals warmtepompen, dubbel glas, betere isolatie, elektrische wagens en diervrij vlees sneller kunnen uitrollen, maar om een of andere reden doen ze het niet. Het is eveneens juist dat er ‘gevestigde machten’ zijn – olie- en gasbedrijven bijvoorbeeld –  die de transitie naar schone energie zo lang mogelijk willen uitstellen. Onze bestaande infrastructuur zorgt bovendien voor een ‘fossiele lock-in’. We zitten als het ware vast in onze fossiele levenswijze. Autorijden is niet alleen populair omdat het comfortabel is, maar ook omdat onze volledige wegeninfrastructuur en stedenbouw erop is afgesteld. Dit maakt de omslag naar een klimaatvriendelijke samenleving een werk van lange adem.

De vruchten van goed klimaatbeleid

Deze lock-in is echter geen excuus voor politici. Ze zouden zich meer moeten laten leiden door klimaat- en energiewetenschappers. Waarom blijven ze dan zo weinig ambitieus? Wellicht vrezen ze dat krachtig klimaatbeleid hen stemmen zal kosten. En inderdaad: de bevolking is niet zo happig op bepaalde maatregelen, zoals een vlees-en vliegtaks. Uit een Humo-enquête blijkt dat veel Vlamingen klimaatbeleid associëren met nieuwe belastingen en kosten. Toch is het een misvatting dat goed klimaatbeleid de modale Vlaming veel hoeft te kosten. Klimaatspecialist Pieter Boussemaere bijvoorbeeld hamert er vaak op dat er geen grote offers nodig zijn om onze uitstoot te verminderen.

Hoe kunnen we deze populaire misvattingen het best tegengaan? Een belangrijke eerste stap is om de focus te leggen op de vele voordelen die klimaatbeleid met zich meebrengt. ‘Klimaatvriendelijk’ moet de associatie krijgen van gezond, leuk en hip. Aan voorbeelden geen gebrek. Zonnepanelen en goede isolatie zijn goed voor je portemonnee. In fietsvriendelijke steden is de lucht frisser en het verkeer veiliger. Plantaardige hamburgers zoals de Rebel Whopper zijn lekker en zorgen voor minder dierenleed. Elektrische wagens zijn proper, geruisloos en comfortabel, enzovoort. 

Deze positieve benadering is niet langer populair bij klimaatactivisten. Onder invloed van mensen als Al Gore, Naomi Klein en Greta Thunberg is inspelen op angst voor klimaatrampen de voornaamste strategie geworden. Het punt is niet dat die klimaatrampen niet kunnen of zullen plaatsvinden, maar wel dat angst een verkeerde motivator is. Psychologen weten al lang dat angst leidt tot een vecht-of vluchtreactie. Op dit moment kiezen veel mensen voor vluchten: het klimaatprobleem voelt voor hen te overweldigend aan om ertegen te vechten. 

Beter klimaatactivisme? Graag!

Angstboodschappen zijn spijtig genoeg niet het enige probleem. Ook de sterke politisering van het klimaat bemoeilijkt de zaak. Omdat rechts – met name de Amerikaanse Republikeinen – gedurende lange tijd verkoos de klimaatopwarming te minimaliseren, kwam er een linkse tegenreactie. Het klimaatthema werd vastgehaakt aan klassieke linkse thema’s: de strijd tegen ongelijkheid, racisme en discriminatie. Die strijdpunten zijn op zich legitiem en lovenswaardig, maar ze zorgen voor een nadrukkelijk linkse stempel op het klimaatthema. Dit heeft het draagvlak voor klimaatbeleid verkleind omdat rechtse- en centrumkiezers er hun gading niet in vinden.

Een ander euvel van de linkse klimaatbeweging zijn haar vele vijandbeelden. Zowel Greta Thunberg als Anuna De Wever beschuldigden de oudere generaties ervan de puinhoop gecreëerd te hebben die zij nu moesten opkuisen. Daarmee verloor de beweging veel sympathie, niet alleen bij twittertrollen, maar ook bij gewone burgers.

Het zijn niet enkel oudere generaties die met de vinger gewezen worden. De lijst met vijandbeelden is lang: politieke leiders, grote bedrijven, het westen, oudere generaties en spilzuchtige consumenten moeten het allemaal ontgelden.

Het probleem is niet dat de kritiek onterecht is: een heleboel landen, bedrijven en politici hebben inderdaad hun verantwoordelijkheid ontlopen en doen dat nog steeds. Het probleem is dat de klimaatbeweging met de vele beschuldigingen vooral defensieve reacties en tegenaanvallen zal oogsten. Strategisch gezien is het wellicht interessanter om af en toe een brug te bouwen met je tegenstanders. 

Het klimaat hoeft geen zuiver links verhaal te zijn

De nieuwe lichting klimaatactivisten was nochtans veelbelovend begonnen. Jongeren gingen  de straat op, kwamen met ludieke slogans en creëerden een ‘grote tent’ waar iedereen – links en rechts – welkom was. Er werden ook concrete voorstellen gedaan. Samen met de toenmalige Vlaamse Bouwmeester, Leo Van Broeck, werd een klimaatplan uitgedokterd. Helaas deden politici er niks mee. Dit leidde begrijpelijkerwijs tot frustratie en verbittering.

Toch is het slim om te blijven praten met politici. Alleen zo kunnen we hun koudwatervrees beter begrijpen. Misschien weten (centrum)rechtse politici niet hoe ze klimaatbeleid moeten verkopen aan hun kiezers. Dat is nochtans mogelijk als ze de juiste waarden benadrukken. Goed zorg dragen voor de natuur is historisch gezien een conservatieve waarde (‘conservation’ betekent niet toevallig natuurbehoud). Conservatieve politici – in de ware zin van het woord – zullen ons land willen beschermen tegen klimaatrampen door dijken te bouwen, door zorgvuldig om te gaan met watervoorraden en door onze steden koel te houden. Het klimaat hoeft geen zuiver links verhaal te zijn.

Dirk Holemans heeft dus onbedoeld een punt als hij pleit voor beter klimaatactivisme. Er is nood aan een nieuwe frisse wind. Blijven focussen op angst en vijandbeelden zal weinig harten veroveren. Met meer positieve en oplossingsgerichte boodschappen over het klimaat bereiken we meer.

Boekbespreking: ‘How Democracies Die’ van Steven Levitsky en Daniel Ziblatt

De politieke wetenschappers Daniel Ziblatt en Steven Levitsky tonen in dit boek overtuigend aan dat veel westerse democratieën onder druk staan door de opkomst van autoritaire populisten. Ze leggen de strategieën bloot waarmee deze illiberale politici democratieën proberen te ontmantelen (en daar vaak ook in slagen).

Beide auteurs zijn professor aan Harvard. Ziblatts specialisatie is de geschiedenis van West-Europese democratieën sinds de negentiende eeuw. Levitsky heeft veel onderzoek gedaan rond Latijns-Amerikaanse regimes. Ze besloten samen een boek te schrijven omdat ze steeds vaker een déja-vu-gevoel kregen. Ze zagen in de V.S. parallellen opduiken met de regimes waar de democratie was aangetast: politieke partijen die democratische normen met de voeten traden, een president die de pers aanviel, die de geldigheid van de verkiezingen in vraag stelde en zijn politieke tegenstander als een crimineel (‘Crooked Hillary’, ‘Lock her up!’) afschilderde. We hebben het uiteraard over… Donald Trump.

De Amerikaanse democratie vormt het grootste zorgenkind van de westerse democratieën. Op het eerste zicht is dit vreemd: de V.S. is een welvarend land, heeft een grote middenklasse en een sterke, liberale grondwet met veel ‘checks and balances’. Al deze ingrediënten staan normaal garant voor politieke stabiliteit. Hoe is het dan mogelijk dat een autoritaire populist als Donald Trump toch verkozen is geworden?

Om op die vraag te antwoorden gaan Levitsky en Ziblatt te rade bij het verleden. Ze gaan na hoe de democratie in landen als Venezuela, Peru, Hongarije, Polen, Turkije en de Filipijnen de nek omgewrongen werd.

In al die landen kwam er een charismatische, populistische figuur aan de macht doordat kiezers zeer misnoegd waren over het politieke establishment.

Aanvankelijk leken nieuwe leiders zoals Orban, Erdogan en Chavez de democratie te willen respecteren. Ze profileerden zichzelf als de stem van het volk. Maar na verloop van tijd kwamen hun autoritaire tendensen steeds sterker naar boven. Ze verloren hun geduld met de compromissen, procedures en overleggen die eigen zijn aan het democratisch spel.

Het ontmantelen van de democratie gebeurt geleidelijk, stap voor stap, zodat burgers niet direct doorhebben wat er aan het gebeuren is.

De eerste stap is dat de autoritaire leider zijn vizier richt op de oppositie en de kritische pers. Hij zorgt ervoor dat oppositieleden worden aangeklaagd voor belastingontduiking of verduistering. Media die te kritisch zijn voor de leider en de regering krijgen megaboetes aangesmeerd wegens smaad. Vervolgens worden er zoveel mogelijk rechters benoemd die loyaal zijn aan het regime (“packing the courts”). Op die manier worden de scheidsrechters van de democratie één voor één ingelijfd (“capturing the referees”) en onschadelijk gemaakt.

De volgende stap is om de spelregels te veranderen. De leider kan een referendum instellen om de grondwet te veranderen. Daarna worden de presidentstermijnen afgeschaft zodat hij permanent aan de macht kan blijven. Tot slot worden de verkiezingsregels in het voordeel omgebogen van de president en zijn partij (bvb. door kiesdistricten te hertekenen). Het politieke speelveld is dan zodanig gekanteld dat de oppositie – of wat er nog van overblijft – volledig ontmoedigd raakt.

Hoe kunnen democratieën voorkomen dat ze ten prooi vallen aan autoritaire, populistische leiders? Volgens Ziblatt en Levitsky vervullen politieke partijen een cruciale rol: zij zijn de poortwachters van de democratie.

Het partij-establishment kan voorkomen dat een politieke outsider met extreme ideeën zich kandidaat stelt. Als partijen hun rol van poortwachter niet of onvoldoende vervullen, kunnen zulke outsiders toch hun kans schoon zien. Als ze populariteit verwerven bij de gewone bevolking, komt de democratie in gevaarlijk vaarwater terecht.

Dit zagen we in de V.S. in 2016: de Republikeinse Partij (GOP) kon niet verhinderen dat Trump genomineerd werd als presidentskandidaat. Hoe is dit kunnen gebeuren?

Daarvoor moeten we terugspoelen naar de jaren 70. Zowel de Democraten als de Republikeinen besloten toen om de presidentsrace open te gooien via voorverkiezingen (primaries) waar in principe iedereen met voldoende campagnefondsen aan kon deelnemen. Dit had als gevolg dat populistische kandidaten niet langer het fiat van het partij-establishment nodig hadden. Het enige wat ze nodig hadden was veel stemmen binnenhalen tijdens de primaries. Dit is exact wat er gebeurde in 2016 met Trump. Hoewel veel prominente Republikeinen een hekel hadden aan Trump konden ze niet verhinderen dat hij de primaries won.

Uiteindelijk besloot de Republikeinse Partij zich toch achter hem te scharen. Dit was een noodlottige vergissing, aldus Ziblatt en Levitsky. Ze hadden het belang van de democratie en de natie boven het partijbelang moeten stellen. Het was tijdens de presidentscampagne van 2016 reeds duidelijk dat Trump de democratie zou ondermijnen als hij aan de macht zou komen. In zo’n situatie is er nog een laatste noodrem die de partij kan gebruiken: een eenheidsfront vormen. Ze kan zich verenigen met haar politieke tegenstanders in een grote coalitie tegen de populistische kandidaat. Dit heeft slechts één doel: het beschermen van de democratie. De partij stelt zo het belang van het land boven het belang van de partij. Republikeinen hadden dus kunnen oproepen om voor Hillary Clinton te stemmen. Slechts een handvol onder hen deden dit en dan nog enkel Republikeinen die weinig invloed hadden.

Door de extreme polarisatie in de V.S. besloten de Republikeinen om de noodrem niet te gebruiken. Het partijlandschap was zodanig gepolariseerd dat de Republikeinen nog liever een gevaarlijk en incompetente figuur als Trump president lieten worden dan op te roepen om voor de Democratische presidentskandidate te stemmen. Die polarisatie is een proces dat al decennia aan de gang is. De Republikein Newt Gingrich was in de jaren 80 bezig met het radicaliseren van zijn partij. Ook de opkomst van zeer partijdige zenders als Fox en MSNBC wakkerde de animositeit verder aan. De kloof tussen Democraten en Republikeinen is sindsdien alsmaar dieper geworden. Veel kiezers hebben zich een sterke politieke identiteit aangemeten, die vaak vastgehaakt is aan hun andere identiteiten. Republikeinse en Democratische kiezers verschillen dus niet alleen qua politieke voorkeur, maar vaak ook qua religie/levensbeschouwing, qua ras, qua waarden en een andere levensstijl.

De Amerikaanse democratie is niet alleen dysfunctioneel omwille van de politieke en culturele polarisatie. Levitsky en Ziblatt stellen dat een goed ontworpen grondwet niet voldoende is om een democratie te laten functioneren. Er zijn ook ongeschreven democratische normen nodig. De twee belangrijkste normen zijn: wederzijdse tolerantie en institutionele terughoudendheid. Tolerantie houdt in dat politieke partijen elkaar als legitieme tegenstanders zien, niet als vijanden. Ondanks de diepe meningsverschillen, zal de ene partij de andere niet demoniseren. Beiden gaan ervan uit dat de rivaliserende partij ook van het land houdt en de grondwet zal respecteren. Het is duidelijk dat Republikeinen deze norm ondertussen met de voeten treden. Veel Republikeinen stellen dat ‘de Democraten het land willen vernietigen’.

De tweede ongeschreven norm is terughoudendheid. De partij die aan de macht is, mag niet alle middelen inzetten om de andere partij te saboteren. Opnieuw hebben Republikeinen deze regel al vaak geschonden. Zo verhinderde de Republikeins gekleurde Senaat in 2016 dat Obama in zijn laatste jaar als president een nieuwe rechter kon benoemen in het Hooggerechtshof. Daardoor bleef de positie gedurende een jaar vacant, iets wat nooit gezien was in de geschiedenis van de Amerikaanse politiek.

‘How Democracies Die’ maakt duidelijk dat ook een oude, sterke democratie als de V.S. in staat is om af te glijden. Dat is een schokkende vaststelling. Daaruit kunnen we besluiten dat andere westerse democratieën, inclusief de onze, mogelijk kwetsbaarder zijn dan we denken.

De erosie van de democratie gaat vaak traag en ongemerkt. Daarom is het essentieel dat politici en burgers alert genoeg zijn, zodat ze alarmsignalen op tijd kunnen opvangen en (hopelijk) ingrijpen voor het te laat is.

Waarom globalisering ons sterker wapent tegen pandemieën.

Why Has Global Trade Slowed Down. After a period of exponential growth… |  by Qafila | Medium

Corona kwam honderd jaar na de Spaanse griep, één van de dodelijkste pandemieën in de geschiedenis van de mensheid. Naar schatting 50 miljoen mensen kwamen om het leven, een aantal dat nauwelijks te bevatten is. Corona eiste tot nog toe 650.000 levens op en die menselijke tol zal helaas nog oplopen. Ook dat is een enorme tragedie. Toch is het aantal slachtoffers een paar grootteordes kleiner dan bij de Spaanse griep. Hoe kunnen we dit verklaren? In vergelijking met honderd jaar geleden beschikken we nu over drie sterke wapens: wetenschap, welvaart en technologie.

Why the Second Wave of the 1918 Spanish Flu Was So Deadly - HISTORY

Onze troeven tijdens corona

De enorme wetenschappelijke vooruitgang van de laatste honderd jaar heeft ervoor gezorgd dat we het virus sneller hebben ingedijkt. Virologen en epidemiologen spoorden overheden aan tot de juiste actie. Belangrijke maatregelen zoals social distancing en lockdowns leidden ertoe dat het aantal besmettingen nu een stuk lager dan bij grote pandemieën in het verleden.

Een tweede troef was onze robuuste gezondheidszorg. In ons land was er op elk moment voldoende ziekenhuiscapaciteit om alle coronapatiënten te verzorgen, ondanks de exponentiële groei van het aantal patiënten. Mensen die ernstig ziek waren konden geholpen worden met zuurstof en beademingstoestellen. Op die manier kon het aantal doden in de meeste landen beperkt worden.

De lange lockdown was voor veel mensen een beproeving, met name voor arme gezinnen. Gelukkig werd deze moeilijke periode voor veel mensen draaglijker gemaakt dankzij digitale technologie. Via onze smartphoneschermen konden we in contact blijven met onze familieleden en vrienden. Netflix, games en e-commerce zorgden voor ontspanning toen we in ons kot moesten blijven. Video-apps, ten slotte, maakten telewerk makkelijker zodat de klap voor de economie verzacht werd.

Privacyzorgen om wildgroei aan videobel-apps door corona | RTL Nieuws

Hoe worden ontwikkelingslanden sterker?

Niet iedereen op deze aardbol kan echter genieten van deze zegeningen. In Congo, Peru en Nepal is er een schrijnend tekort aan ziekenhuizen en beademingstoestellen. Armen in ontwikkelingslanden zijn met andere woorden veel kwetsbaarder tijdens pandemieën. En als zij kwetsbaarder zijn, is de rest van de wereld dat ook. Pandemische virussen laten zich immers niet tegenhouden door landsgrenzen.

The Coronavirus Is Now Exploding in Developing Countries – BRINK – News and  Insights on Global Risk

Hoe kunnen we er dan voor zorgen dat ontwikkelingslanden sterker gewapend zijn? De sleutel is paradoxaal genoeg: meer globalisering. Dit klinkt misschien op het eerste zicht vreemd. Is het niet juist het mondiale vliegverkeer dat maakte dat corona zich razendsnel over de aardbol verspreidde? Dat klopt uiteraard, maar dit is slechts één aspect van globalisering. De andere aspecten maken dat we juist sterker gewapend zijn. Organen zoals de VN en WHO zorgen voor meer samenwerking tussen landen om het virus te bestrijden. Globale handelsnetwerken zorgen op hun beurt voor meer welvaart en voedselzekerheid.

Niet iedereen is echter overtuigd van deze voordelen. De globalisering ligt al jaren onder vuur aan beide zijden van het politieke spectrum. Rechtspopulisten zien meer heil in protectionisme en gesloten grenzen. Linkse stemmen pleiten op hun beurt voor meer lokale productie en zelfvoorziening. Zij menen dat corona juist aantoont hoe fragiel en onbetrouwbaar de mondiale bevoorradingsketens zijn. Zo grijpt ecodenker Dirk Holemans het aanvankelijke tekort aan mondmaskers en medisch materiaal aan als bewijs dat de globalisering te ver doorgeschoten is.

The nexus between trade, EU circular economy and sustainable development

Toch slaan deze ‘lokalisten’ de bal mis: de coronacrisis toonde juist de sterkte van globalisering. Ondanks het feit dat niemand had kunnen voorzien dat we dit medisch materieel op zo’n grote schaal zouden nodig hebben, werd de productie wereldwijd in sneltempo opgeschroefd. Als ieder land zijn eigen mondmaskers had moeten maken, waren er nog steeds tekorten geweest.

Globalisering was net zo essentieel voor de voedselzekerheid. Dankzij massale voedselimport en -export bleven de supermarktrekken goedgevuld tijdens de lockdown. In een niet-geconnecteerde wereld waren er op veel plaatsen grote voedseltekorten ontstaan. Daaruit volgt niet dat globale bevoorradingsketens geen zwaktes hebben. Maar wereldhandel vormt vaak een zelfcorrigerend systeem.  Vooruitziende bedrijven kunnen hun bevoorradingsketens diversifiëren zodat het wegvallen van een leverancier geen ramp hoeft ze zijn. Het is net dit cruciale voordeel dat landen veerkrachtiger maakt als ze te maken krijgen met schokken. Dit zagen we reeds voor corona. Toen Frankrijk, Italië en Oekraïne tijdens de hittegolf van 2003 te maken kregen met grote misoogsten, kwamen ze niets tekort omdat ze voedsel konden importeren van elders.

De grootste fans van globalisering

Globalisering is tot slot ook een motor van welvaart, de beste buffer tegen schokken. Als arme landen rijker worden zullen ze beter in staat zijn om meer ziekenhuizen te bouwen en meer dokters op te leiden. Een goede basisgezondheidszorg is overigens niet alleen nodig om corona onder controle te houden, maar ook om ‘vergeten epidemieën’ zoals malaria, tuberculose en AIDS effectiever te bestrijden. Ziekenhuizen in arme landen worden nu geplaagd door stroompannes waardoor ze patiënten onvoldoende kunnen testen of beademen. Meer welvaart zal deze landen in staat stellen om een stabiel elektriciteitsnet uit te bouwen.

In vergelijking met wat je in 'Topdokters' ziet, lijkt het coronavirus wel  een welvaartsziekte | Humo

Het is dan ook geen toeval dat mensen in ontwikkelingslanden de grootste voorstanders zijn van globalisering. Ze beseffen dat meer vrijhandel en uitwisseling hun leven beter zal maken. Ook wij halen er voordeel uit. Naarmate steeds meer mensen ontsnappen uit armoede, kunnen ook zij genieten van onderwijs. Daardoor zullen steeds meer knappe koppen kunnen meedenken aan de uitdagingen van de 21ste eeuw.

De vruchten van de globalisering maken mogelijk wat we tijdens de Spaanse griep niet konden: ons wapenen tegen een nieuw en onbekend virus. Na corona hebben we juist meer én betere globalisering nodig, zodat niet een nieuw virus, maar wel welvaart zich naar alle uithoeken van de wereld kan verspreiden. Enkel zo kan de mensheid haar volle potentieel waarmaken.

Ik schreef deze tekst samen met Jan Deschoolmeester. Een verkorte versie verscheen in Knack op 7 juli 2020

Boekbespreking ‘The Goodness Paradox’ van Richard Wrangham

“The Goodness Paradox” is een zeer belangrijk boek dat veel inzicht geeft in onze menselijke natuur. Richard Wrangham is een Britse primatoloog en antropoloog werkzaam aan Harvard. Hij onderzoekt al 40 jaar het gedrag van chimpansees en mensen. Daarbij focust hij zich onder andere op voeding en op gewelddadig gedrag.

De goedheidsparadox draait om de vraag die Hobbes en Rousseau zich reeds stelden: is de mens van nature eerder goed of eerder slecht? Wie nadenkt over deze vraag komt al snel tot de conclusie dat mensen tot de mooiste maar ook de lelijkste dingen in staat zijn. Zoals de psycholoog Steven Pinker schrijft in The Better Angels of Our Nature (2011): in ons schuilen zowel innerlijke demonen als goede engelen. Wrangham buigt zich over de vraag hoe dat komt: waarom hebben mensen deze twee tegengestelde polen? Wat is de evolutionaire verklaring hiervoor?

Veel menselijk kwaad vloeit voort uit onze agressieve neigingen. Wrangham benadrukt dat er twee soorten agressie: reactieve agressie en proactieve agressie.
De eerste soort agressie is impulsief, direct en ‘heetgebakerd‘. Een zit op café, een onverlaat beledigt zijn moeder en hij geeft hem een klap in zijn gezicht. De tweede soort, proactieve agressie, is op voorhand gepland en ‘koelbloedig‘. Iemand wil wraak nemen op een rivaal en smijt een baksteen door zijn ruit, midden in de nacht. Extreme vormen van proactieve agressie zijn moord, oorlog (waarbij één partij een ruim overwicht heeft) en genocide.

Wrangham maakt de vergelijking tussen chimpansees en mensen. Als je 100 chimpansees samen in één ruimte zou zetten, komen er gegarandeerd vechtpartijen van. Mensen daarentegen kunnen gerust urenlang met 100 onbekenden in een ruimte zitten en vriendelijk met elkaar omgaan. Mensen zijn dus weinig ‘reactief’ agressief in vergelijking met chimpansees. Maar het omgekeerde geldt voor proactieve agressie. Onze soort pleegt erg vaak geweld op een koele, geplande manier. Het aantal mensen dat sterft door geplande agressie (moord, groepsgeweld, oorlog) is erg hoog in vergelijking met de meeste diersoorten. Het gemiddelde aantal doden door geweld bij mensen komt ongeveer overeen met dat van chimpansees.

Ook de manier waarop mensen en chimpansees soortgenoten doden vertoont een aantal overeenkomsten. Jonge mannelijke chimpansees patrouilleren de grensgebieden van hun territorium. Ze maken jacht op eenzame mannetjes of vrouwtjes van een naburige gemeenschap. Als ze zo’n eenzaam individu vinden breekt de hel los. Ze vermoorden de chimpansee vaak op gruwelijke wijze en eten hem soms op. Deze vorm van proactieve agressie doet denken aan criminele drugsbendes die hun territorium in een stad beschermen met brutaal geweld. Net zoals chimpansees zullen deze gangs er meestal voor zorgen dat ze een stevig numeriek overwicht hebben op hun rivalen vooraleer ze tot de aanval overgaan.

Mensen en chimpansees scoren dus beide hoog op proactieve agressie, maar hoe komt het dan dat mensen zo weinig reactief agressief zijn? Wrangham poneert een fascinerende theorie. Het valt op dat die verminderde reactieve agressie ook te zien is bij gedomesticeerde soorten. Meer nog, het ‘domesticatiesyndroom’ is volgens gedragsbiologen een gevolg van een selectie tegen reactieve agressie. Dit blijkt uit de beroemde experimenten van Russische wetenschappers Dmitri Beljajev en Ludmila Trut. Beljajev besloot in de jaren 50 om zilvervossen te fokken en ze ‘genetisch tam’ te maken. Zilvervosjes die niet beten of gromden wanneer ze gevoederd werden, werden geselecteerd om verder mee te kweken. Na enkele generaties ontstonden er opvallende kenmerken. De vosjes kregen een kleiner, meer kinderlijk gezicht, een krulstaart, witte vlekken op hun vacht. Ook hun gedrag veranderde: ze waren minder bang van mensen en begonnen zelfs te blaffen. Al deze veranderingen zijn onderdeel van het domesticatiesyndroom.

Volgens Wrangham zijn mensen ook een product van domesticatie, meer bepaald ‘zelfdomesticatie’. Als je ons vergelijkt met Neanderthalers (een goede proxy voor onze pre-Homo sapiens-voorouder) dan valt het op dat onze schedel ronder is, ons gezicht minder naar voor steekt, onze tanden en kaken kleiner zijn en we minder zware botten hebben. Ook de verschillen tussen mannen en vrouwen zijn minder uitgesproken bij Homo sapiens dan bij de Neanderthaler: Homo sapiens-mannen zijn ‘vrouwelijker’ geworden in hun gezichtskenmerken. Mannen hebben in de loop der tijd minder zware wenkbrauwbogen gekregen bijvoorbeeld.

Hoe komt het dan dat we onszelf “genetisch tam” hebben? Dit was uiteraard geen bewust proces, maar een gevolg van bepaalde selectiedrukken. Wrangham gebruikt hier een hypothese van de antropoloog Christopher Boehm (Moral Origins, 2012). Voor het overgrote deel van onze evolutionaire geschiedenis leefden we in kleine groepen (bands) van jager-verzamelaars. Een cruciale stap in onze evolutie was de ontwikkeling van een complex taalvermogen (hoe en waarom dat zich ontwikkelde is onderwerp van debat). Hierdoor konden we roddelen over anderen. Roddelen maakte coalities mogelijk tussen verschillende leden van de jager-verzamelaarsgroep. Als er een egoïstische bully of antisociale persoonlijkheid in de groep was – die bvb. andermans voedsel afpakte of seks had met andermans vrouwen – dan was de eerste strategie van de anderen om hem te bekritiseren, te shamen of belachelijk te maken. Soms was dit echter niet voldoende. Sommige individuen zullen doorgegaan zijn met hun egoistisch gedrag omdat het hen veel fitness-voordelen opleverde. Het laatste redmiddel van de andere leden bestond erin dat ze een coalitie sloten om hem te vermoorden. Volgens Wrangham kwam dit vaak genoeg voor om een diepgaand effect te hebben op onze gene pool. De meest agressieve, antisociale individuen werden door deze “doodstraffen” uitgefilterd. In hedendaagse jager-verzamelaarssamenlevingen worden mensen soms ook gedood omdat ze een bepaald cultureel taboe hebben geschonden. Wrangham vermoedt dat dit ook zo was honderdduizend jaar geleden. Het werd dus belangrijk om niet verdacht te worden van afwijkend gedrag. Op die manier werd conformisme een must. Ook door goed samen te werken en anderen te helpen kon je reputatiepunten winnen. Op die manier ontstond het complexe morele systeem dat alle menselijke samenlevingen vandaag bezitten.

Doordat bully’s werden weggeselecteerd door executies, werd in feite de zwaarste, reactieve agressie weggeselecteerd. Vandaag vertoont 1% van de menselijke populatie psychopathische kenmerken, maar bij onze voorouders lag dat aandeel veel hoger. Het gevolg is dat de mens een vriendelijkere soort is geworden.

Desondanks bezitten we ook een donkere kant: behalve de chimpansee is er geen enkel zoogdier dat zo vaak zijn eigen soortgenoten vermoordt. Toen we als jager-verzamelaars leefden was proactieve agressie voordelig in een aantal gevallen. Bij recente jager-verzamelaarssamenlevingen voeren oorlog door middel van raids, verrassingsaanvallen en hinderlagen. Ze sluipen ’s nachts of ’s morgens vroeg naar een naburige groep die ligt te slapen. Daarna doden ze de mannen, vrouwen en kinderen. Hierdoor kan de groep meer territorium en meer hulpbronnen veroveren. De kans dat de aanvallers zelf het leven laten is klein omdat ze hun vijanden bij verrassing nemen. Deze ‘asymmetrische oorlogvoering’ is dus veel minder risicovol dan symmetrische conflicten waarbij twee rivaliserende groepen ongeveer even sterk zijn. Symmetrische conflicten komen zelden voor. Als twee groepen jager-verzamelaars elkaar tegenkomen en geen van hen heeft een numeriek overwicht, zullen ze net als chimpansees wat bluffen, maar daarna de aftocht blazen. De kans om gewond te geraken of te sterven is voor beide kampen erg groot. Opnieuw zien we dat reactieve agressie – in tegenstelling tot proactieve agressie – geen voordeel oplevert.

Wrangham beschrijft onze dubbele natuur op een treffende manier. Hij is zeer erudiet en citeert een karrenvracht onderzoek om zijn theses te ondersteunen. Het is een bijzonder leerrijk boek dat dieper inzicht leidt in die bizarre soort genaamd Homo sapiens.